H.N. Werkman. Een biografie in jaartallen  




1940
Na het begin van de oorlog krijgt de drukkerij weinig orders. Werkman richt zich voornamelijk op het schilderen en maakt onder meer het kartonschilderij Theevisite onder het afdak (S-73).
Aan het eind van het jaar ontmoet hij de predikant August Henkels (1906-1975). Henkels heeft samen met Adri Buning (1896-1948) en Ate Zuithoff (1912-2009) het collectieve uitgeverspseudoniem De Blauwe Schuit aangenomen om het gedicht Het jaar 1572 van Martinus Nijhoff (BS-1) te laten herdrukken. Werkman wordt gevraagd voor het drukwerk. Daarna volgt, tot in 1944, een reeks van in totaal veertig uitgaven van De Blauwe Schuit, in kleine of grotere oplagen. De teksten en gedichten hebben een vaderlandslievende en vaak religieus getinte inslag ter ondersteuning van het moreel en worden door Werkman geïllustreerd.

 

De vier mensen achter De Blauwe Schuit poseren in Werkmans drukkerij in september 1941. Van links naar rechts: Ate Zuithoff, August Henkels, Werkman en Adri Buning. 

1941
In januari krijgt Werkman van Henkels Die Legende des Baalschem van Martin Buber te leen, met het verzoek daaruit het verhaal Die Predigt des neuen Jahrs te drukken voor De Blauwe Schuit (BS-2). De serie verhalen inspireert Werkman in de zomermaanden tot zijn bekendste werk, de twee suites met de Chassidische legenden (BS-14 en BS-33). Ze verschijnen in 1942 en 1943 in een oplage van twintig exemplaren bij De Blauwe Schuit.
Werkman neemt in het voorjaar op verzoek van Sandberg deel aan de tentoonstelling De verluchte bladzijde in het Stedelijk Museum in Amsterdam.
Op 25 april brengt Sandberg een bezoek aan Werkman. Hij schaft alle uitgaven van De Blauwe Schuit aan en koopt bovendien de serie Hot Printing (D-95 t/m 113).
In mei bezoekt Werkman met Wiegers Sandberg in Amsterdam. Daar is bij Sandberg thuis een avond georganiseerd om Werkmans druksels en kartonschilderijen te tonen aan een kleine kring bekenden. Sandberg neemt Werkman en Wiegers bovendien mee naar de kluis in de duinen bij Castricum waar de collectie van het Stedelijk Museum ligt opgeslagen. Ze gaan verder langs bij kunsthandelaar Herbert Tannenbaum in Amsterdam, en brengen een bezoek aan het atelier van de schilder Friedrich Vordemberge-Gildewart. Kort daarna maakt Werkman de eerste druksels sinds lange tijd, de serie Amsterdam-Castricum (D-150 t/m 160). Uit dit jaar stammen ook een serie typografische koppen (bijvoorbeeld D-178), voorstellingen uit het circus (bijvoorbeeld D-197) en de Draaideur van het postkantoor 2 (D-208).
In mei 1941 maakt Werkman kennis met de kunstenaar Paul Guermonprez (1908-1944), met wie hij een levendige correspondentie zal voeren.
In november bezoekt Werkman Sandberg opnieuw en ontmoet daar de schilder Peter Alma, de architect Mart Stam en Vordemberge-Gildewart.
In dezelfde maand drukt hij voor De Blauwe Schuit de Turkenkalender 1942 (BS-8). 
 
H.N. Werkman, Draaideur van het postkantoor 2 (1941) (D-208) (Groninger Museum).

1942
Om officieel verder te kunnen werken moeten kunstenaars zich in april aangemeld hebben bij de Kultuurkamer. Voor Werkman, die als drukker geregistreerd staat, geldt dat niet.
In april bezoeken Werkman en zijn vrouw Paul en Trude Guermonprez in Voorschoten. Daar ontmoeten ze onder meer A.M. Hammacher, Horst Gerson en Gerrit Rietveld. Ze reizen terug via Amsterdam, waar ze Sandberg treffen.
Eveneens in april begint Henkels met het catalogiseren van Werkmans oeuvre, te beginnen met de druksels uit 1941. Het karwei wordt later overgenomen door Ate Zuithoff en mondt uit in de zogenaamde ‘Zuithoffcatalogus’, die deels gebaseerd is op gegevens die Werkman zelf verstrekt.
In mei worden Henkels en Guermonprez door de Duitsers gearresteerd en overgebracht naar het gijzelaarskamp in seminarie Beekvliet in Sint-Michielsgestel. Werkman blijft met hen corresponderen en stuurt regelmatig schetsjes van zijn werk op. Henkels wordt in december vrijgelaten; Guermonprez zal halverwege 1943 ontsnappen en onderduiken.
In de loop van 1942 verschijnen veertien nieuwe uitgaven van De Blauwe Schuit, met onder meer gedichten van Marsman (BS-15) en Nijhoff (BS-20) en een tekst van Luther (BS-11).
In de zomer maakt Werkman de serie druksels Vrouweneiland (onder meer D-288).
De eerste suite van de Chassidische legenden (BS-14) verschijnt in het najaar. De portefeuille raakt snel uitverkocht. Henkels en Guermonprez organiseren in september een tentoonstelling van de prenten in Sint-Michielsgestel.

1943
De Utrechtse huisarts en fotograaf Nico Jesse komt begin januari bij Werkman op bezoek en maakt de beroemde reeks portretten.
Werkman komt in contact met A.A. Balkema, eem Amsterdamse boekhandelaar en clandestiene uitgever die zijn druksels gaat verkopen.
In zijn druksels past Werkman een nieuwe variant toe van zijn stempeltechniek. Hij brengt de inkt in dikkere lagen op het papier door middel van blokjes lood, waardoor het werk een schilderachtig karakter krijgt. In deze techniek maakt hij een nieuwe serie koppen (bijvoorbeeld D-370), druksels met paarden en ruiters (o.a. D-367) en Groningse stadsgezichten en landschappen (zoals D-385).
In september voltooit Werkman een opdracht van het Nederlandsch Verbond van Boekenvrienden (D-413); met de voorzitter van het Verbond, Bastiaan Kist, correspondeert hij tussen juni 1943 en februari 1944.
In de loop van 1943 verschijnen dertien nieuwe uitgaven van De Blauwe Schuit, waaronder de oplage van de tweede suite van de Chassidische legenden (BS-33). In november drukt Werkman De grot (BS-29), een gedicht van Martinus Nijhoff. De dichter houdt de verspreiding van de uitgave tegen omdat hij niet tevreden is over zijn eigen gedicht.

1944
Anders dan in de voorgaande oorlogsjaren begint Werkman dit jaar al in januari met het maken van druksels. Eind februari zijn er tachtig gereed, vrijwel uitsluitend in de sjabloontechniek. Opvallend is de serie abstracte composities op Oud-Hollands gevergeerd papier (bijvoorbeeld D-454).
In april keert Werkman terug naar zijn stempeltechniek uit 1943. In de loop van het jaar ontstaat een nieuwe serie zeer expressieve koppen, waaronder Apostelkop (D-509), Vrouwenkop met linkerhand aan de wang (D-521), en een reeks paarden en ruiters (bijvoorbeeld D-533).
In de eerste helft van het jaar verzorgt Werkman nog zeven uitgaven van De Blauwe Schuit, waaronder De houtdiefstal (BS-34), maar de reeks stokt als Henkels in de zomer moet onderduiken.
Werkman illustreert en drukt enkele uitgaven voor de Volière-reeks (o.a. Een suite van de zee, G-241), een initiatief van twee jonge dichters-juristen, W.H. Nagel (schrijvend als J.B. Charles) en W.H. Overbeek (schrijvend als Marten Drossaard), en de dichter A. Marja (pseudoniem van A.Th. Mooij). Verder drukt hij Terzinen van de Mei (G-251) van J.B. Charles voor De Bezige Bij.
Vlak na de geallieerde landing in Normandië op 6 juni krijgt Werkman het bericht dat Paul Guermonprez, die na zijn ontsnapping een belangrijke rol in het verzet was gaan spelen, is opgepakt en gefusilleerd.
Begin juli vindt Werkman een nieuw drukprocédé uit, dat overigens weinig succesvol blijkt te zijn (D-535).
Vanaf oktober ligt de drukkerij stil wegens gebrek aan electriciteit.
Eind december ontstaat een plan voor een nieuwe serie druksels, geïnspireerd op verhalen van Edgar Allan Poe, maar dat plan blijft onuitgevoerd. Eerder dit jaar had Werkman al vier Impressions of Edgar Allan Poe gemaakt (onder meer D-478).

1945
Werkman werkt in januari aan een kalender die hij in februari voltooit (G-260). Hij wacht met het maken van druksels tot het mooier weer wordt, zo schrijft hij op 11 maart.
Op 13 maart wordt Werkman gearresteerd door de Sicherheitsdienst, mogelijk op verdenking van het maken van illegaal drukwerk. De drukkerij en het woonhuis worden grotendeels leeggehaald en de in beslag genomen schilderijen en druksels worden meegenomen naar het Scholtenshuis, het hoofdkwartier van de SD aan de Grote Markt. Henkels, die bij Werkman logeert, wordt dezelfde dag gearresteerd. Beiden worden van het Scholtenshuis overgebracht naar het Huis van Bewaring in Groningen.
Op 10 april wordt Werkman met negen anderen op het Mandeveld in Bakkeveen gefusilleerd, drie dagen voor de bevrijding van Bakkeveen.
Bij de bevrijding van Groningen wordt op 15 april het Scholtenhuis verwoest. Daarbij gaan de in beslag genomen schilderijen en druksels verloren. Op dezelfde dag worden Werkman en de andere slachtoffers opgegraven uit het massagraf op het Mandeveld. Op 17 april wordt hij herbegraven op de begraafplaats van Bakkeveen.
In juli kent de gemeente Amsterdam de eerste H.N. Werkmanprijs voor de Typografie toe aan Werkmans Turkenkalender 1942 (BS-8).
In oktober organiseert Sandberg een overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum.