Als kunstenaar was Hendrik Nicolaas Werkman (1882-1945) autodidact en bovendien een laatbloeier. Hij begon zijn loopbaan als journalist en leerling-drukker nadat zijn moeder hem in 1900 van school had gehaald omdat hij in de derde klas van de Rijks-HBS voor de tweede keer dreigde te blijven zitten. In 1908 richtte hij een eigen drukkerij op in Groningen. Pas uit 1917 dateert het eerste schilderij dat van hem bekend is; twee jaar later werd hij lid van de pas opgerichte kunstenaarsvereniging De Ploeg. Zijn ontluikende artistieke aspiraties kregen vervolgens in de jaren twintig een plaats in het drukwerk in oplage uit zijn drukkerij. Omgekeerd werd het drukkersgereedschap een artistiek middel toen hij er in 1923 mee begon te experimentere in de eerste van een lange reeks zogenaamde druksels. Het kunstenaarschap nam vooral de overhand in de oorlogsjaren, door een combinatie van gebrek aan opdrachten voor de drukkerij en een grote artistieke productiviteit. Kort voor de bevrijding kwam daaraan een abrupt einde: in maart 1945 werd Werkman door de Sicherheitsdienst gearresteerd en op 10 april gefusilleerd. Tijdens de bevrijding van Groningen gingen de werken die bij zijn arrestatie in beslag waren genomen verloren door de verwoesting van het Scholtenhuis, waar het hoofdkwartier van de SD was gevestigd.

De kern van het oeuvre: de druksels
Het oeuvre dat Werkman naliet omvat ruim 2000 werken. De kern daarvan wordt gevormd door de druksels, waarvoor Werkman een techniek ontwikkelde die elders in deze publicatie uitvoerig wordt belicht. Er zijn 556 druksels bekend; daarnaast is een aantal verloren gegaan aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. De vroegste van deze lange reeks drukte Werkman nog in een kleine oplage, maar voor het overgrote deel gaat het om unica, waarvan de meeste, zo’n vierhonderd, uit de oorlogsjaren stammen. Nauw verwant aan de druksels zijn de zogenaamde ‘tiksels’, luchtige abstracte composities waarvoor Werkman niet het materiaal uit de drukkerij maar de schrijfmachine gebruikte. Daarvan zijn tien bladen overgeleverd met steeds twee composities, en twee losse bladen, die alle rond 1926 worden gedateerd.

Drukwerk in oplage
Het tweede belangrijke segment van het oeuvre is het drukwerk dat in Werkmans drukkerij in oplage werd gedrukt, zowel in opdracht als op eigen initiatief. Werkman had geen groot talent voor zaken, maar tot het begin van de jaren twintig draaide zijn drukkerij goed. Uit de letterproef die hij uitgaf in 1912 blijkt dat hij alle denkbare soorten drukwerk verzorgde, van visitekaartjes en reclamefolders tot proefschriften. Het interessantst zijn die stukken waarin de drukker Werkman en de kunstenaar Werkman elkaar ontmoetten. Dat is bijvoorbeeld het geval in de affiches, catalogi en andere incidentele uitgaven die hij verzorgde voor De Ploeg. In de jaren twintig en dertig ontwierp, drukte en verspreidde Werkman bovendien verschillende kunstzinnig vormgegeven tijdschriften, deels gevuld met eigen poëtische teksten. De reeks opent met het Blad voor Kunst (1921-1922), dat een min of meer regulier (zij het slecht lopend) periodiek was. Belangrijker en eigenzinniger was The Next Call, een podium voor Werkmans eigen typografische experimenten waarvan hij tussen 1923 en 1926 negen nummers drukte. In de jaren dertig maakte hij op dezelfde manier Preludium en Pesach 1936.

De Blauwe Schuit
Een bijzonder onderdeel van het drukwerk in oplage wordt verder gevormd door de uitgaven van De Blauwe Schuit, de clandestiene uitgeverij waarvoor Werkman tussen begin 1941 en midden 1944 in totaal veertig uitgaven drukte. Het ging bijna steeds om kleine boekjes, in oplage variërend van vijftien tot tweehonderd exemplaren, met deels oorspronkelijk werk met toespelingen op de oorlogssituatie, en deels bestaande teksten die actualiteitswaarde bleken te hebben. De uitvoering van de uitgaafjes was luxe (zeker gezien de oorlogsomstandigheden) en de versiering inventief. Weliswaar ging het om werk in opdracht, maar daarbij werd Werkman meestal enige speelruimte geboden, en met name bij de Chassidische legenden, uiteindelijk een van zijn beroemdste en geliefdste werken, kreeg hij een grote mate van vrijheid.

Schilderijen
Binnen het overgeleverde oeuvre nemen de schilderijen een verhoudingsgewijs kleine plaats in. Werkman schilderde in een gestaag tempo door, ook nadat hij druksels was begonnen te maken. Voor hem waren het kennelijk verschillende activiteiten die zich op verschillende plaatsen afspeelden: hij was letterlijk een zondagsschilder die thuis schilderde, terwijl hij de druksels, door de aard van het materiaal, alleen in de drukkerij (en dus onder werktijd) maakte. Er zijn 63 schilderijen overgeleverd (waarvan sommige aan beide zijden zijn beschilderd), terwijl van een ongeveer even groot aantal bekend is dat ze verloren zijn gegaan of zijn zoekgeraakt in 1945. Bovendien vernietigde Werkman ook zelf werk dat hem niet meer beviel, bijvoorbeeld door doeken over te schilderen.

Aquarellen en grafiek
Werkman schilderde zelden in aquarel. Van de ongeveer 60 aquarellen die zijn overgeleverd, is een klein aantal op groot formaat voor de oorlog geschilderd, maar voor het grootste deel gaat het om naschilderingen van of schetsen voor werken uit 1942, die hij insloot bij brieven aan zijn vrienden August Henkels en Paul Guermonprez om hun een indruk te geven van het werk waarmee hij bezig was. De ‘traditionele’ grafiek maakt eveneens maar een klein deel uit van Werkmans oeuvre: het gaat om tien litho’s uit de eerste helft van de jaren twintig, achttien etsen grotendeels uit 1922-23 en veertien houtsneden uit de jaren twintig en dertig. De circa 60 tekeningen op groot formaat stammen ook uit deze twee decennia. Ze zijn uitgevoerd in verschillende technieken, meestal met inkt, maar er is ook een groep figuurstudies in krijt.

De schetsen
In volume bestaat de helft van het oeuvre van Werkman uit schetsen: daarvan zijn er ruim duizend overgeleverd, voor het overgrote deel kleine snelle schetsjes achterop kalenderblaadjes en andere onooglijke stukjes papier. Bij het onderzoek voor de oeuvrecatalogus hebben ze een belangrijke rol gespeeld: ze waren slechts ten dele vermeld in de Hot Printing-catalogus van Jan Martinet uit 1963, ze waren niet eerder in hun samenhang bestudeerd en de meeste waren ook niet eerder gepubliceerd. In veel gevallen is het gelukt om een verband te leggen tussen voorbereidende schetsen en de druksels, en op die manier bieden ze inzicht in Werkmans werkwijze. De chronologie die voor de schetsen kon worden vastgesteld bleek bovendien een hulpmiddel bij het bepalen van de volgorde waarin de druksels zijn ontstaan.

De correspondentie
Een andere belangrijke bron voor zowel Werkmans werkwijze als de datering van zijn werk is zijn correspondentie. Vooral tijdens de oorlogsjaren schreef Werkman vaak uitvoerig over zijn werk in brieven aan een aantal vrienden en bekenden: August Henkels en Ate Zuithoff, beiden initiatiefnemers van De Blauwe Schuit, de kunstenaar Paul Guermonprez, Bastiaan Kist, de voorzitter van de Nederlandsche Vereniging van Boekenvrienden, en Willem Sandberg, conservator (en na de oorlog directeur) van het Stedelijk Museum in Amsterdam en promotor van Werkmans werk. De brieven geven ook inzicht in de manier waarop de waardering voor zijn werk tijdens de oorlog begon te groeien.