Werkman refereert in deze brief aan Willem Sandberg (nummer 241 in de recente brieveneditie) aan het bezoek dat hij met de toenmalige conservator en latere directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam bracht aan de depotbunker in de duinen bij Castricum.

Groningen, 4 januari 1943

Beste Heer Sandberg.
Als ik vandaag niet in een goede stemming was geweest, zou ik dat zeker door Uw kaart geworden zijn. Die gouden vlag wappert zoo aanstekelijk opmonterend; eindelijk is het zoover, de 2 is door een 3 vervangen: aller harten zijn vervuld van verlangen naar het einde van deze ellende. Moge het er nu op aan gaan! En de beschreven achterkant bevat niet minder moedgevende mededeelingen. Het is uitstekend dat U nog een aantal onder U houdt, ik ben U zeer dankbaar voor Uwe bemoeiingen.
Langzaam groeit ook hier de belangstelling en de Baalschem-portefeuille heeft ook daartoe bijgedragen. Van de 20 ex. die ik van deze eerste serie heb gemaakt zijn er nog 3 voorhanden. Zoodra ik een beetje de handen vrij heb begin ik met het afdrukken van de 2e serie, de tekst ligt al afgedrukt.
Het nieuwe jaar zet dus goed in, moge ’t een gunstig voorteeken zijn. Wilt U het bedrag per cheque overmaken bij gelegenheid, ik bedoel: niet overschrijven want dan kan het bij eventueele contrôle last geven. Wij staan onder voortdurende controle tegenwoordig en dat zal wel erfelijk worden vrees ik.
Henkels is al hier geweest met zijn vrouw. Behoudens een – voor een dominee – opvallende taalverruwing was hij in het geheel niet veranderd. Aan het eerste is de 8 maanden afzondering onder mannen schuldig, het laatste heeft hij te danken aan zijn vrouw, die hem elke dag een welvoorzien pakket heeft gestuurd alle acht maanden lang.
Helaas is Guermonprez niet onder de gelukkigen en aan hem zou het bijzonder besteed zijn, hij is meer eenzaam en schijnt daar erg te verbitteren. Een tijdlang mochten ze geen brieven ontvangen, nu is dat weer toegestaan zoodat ik af en toe probeer hem wat af te leiden. Henkels en anderen zijn van meening dat allen binnen afzienbare tijd vrij zullen komen, het schijnt niet aan de verwachtingen te voldoen, men had een andere uitwerking verwacht; de gijzelaars werden gewoonweg door heel Nederland onthaald.
Zuithoff was ook een week terug in zijn geboortestad, hij raakt meer en meer op streek en behoeft nog niet te evacueeren.
Uw brief kwam uit Castricum, daar bent U dus nog af en toe, daaraan bewaar ik aangename herinneringen zoowel binnen als buiten de zware deuren.
Ik weet niet of U erg van kalenders houdt maar ze worden nu zeldzaam. In de vacantie heb ik mijn tijd daaraan een beetje besteed, enkele exemplaren natuurlijk. Ook aan Stam zend ik er een en daarmee zijn ze alle geplaatst. Ze gaat vergezeld van de beste wenschen voor het verdere gedeelte van ’t jaar: de tijd schijnt nog vlugger te willen gaan. Het is wel geen Turkenkalender zooals ’t vorig jaar, ik zou ook niet weten hoe aan papier daarvoor te komen. Dat wordt van maand tot maand moeilijker en er hangt ons allen een zwaard boven ’t hoofd. Binnen enkele dagen wordt het vonnis over de drukkers geveld wie er moet verdwijnen. Daarin hebben we zelf niets te zeggen en niemand kan ons daarover inlichten. Maar er aan gaan ze: 700 in ’t heele land. Dat zal wel voorloopig zijn, later volgen er vanzelfsprekend meer, want het gaat tenslotte alleen voor weermacht, voedselvoorziening en overheid. Ondanks dat alles blijven wij toch moed houden hoe het ook gaan mag. Het jaar begint te hoopvol om ons van de wijs te laten brengen.
Hopelijk gaat het U allen goed – ik denk maar aan de vlag. En al zal het ook niet altijd Lindt zijn, het gaat dan zoo ’t gaat.

Met hartelijke groeten voor U allen, ook van mijn vrouw,
Werkman