In deze brief aan August Henkels (nummer 26 in de recente brieveneditie) spreekt Werkman zijn vreugde uit over de groeiende vriendschap tussen hen beiden.

Groningen, 9 mei 1941


Beste vriend.

Dank voor Uw brief van 1 Mei. Met groote ingenomenheid en dankbaarheid heb ik die gelezen en herlezen. Inderdaad de gevoelens van vriendschap zijn wederzijdsch. Wij hebben steeds spontaan op elkaar gereageerd en zulke spontane uitingen hebben een diepe grond. Zùlke spontane uitingen.
Vriendschap is moeilijk. Vriendschap is het hoogste wat er is en zijn kan onder de menschen onderling. Ik heb weinig vrienden, misschien ben ik te terughoudend, te onmaatschappelijk of heb ik te weinig menschenkennis. Het kan ook zijn dat ik te wantrouwend ben om vertrouwen te schenken. Maar behoefte aan vriendschap heb ik zeker en daarom stemt Uw brief mij gelukkig. U kunt er van verzekerd zijn dat ik zonder terughouding als vriend tegenover U zal staan en in zekeren zin dus naast U. Ik hoop dat ik U veel kan geven en dat ik U niet zal teleurstellen. Ik wil mij niet mooier voordoen dan ik ben en wil U zonder voorbehoud mijn vertrouwen schenken. In veel opzichten passen wij geloof ik wel bij elkaar, ik ben er vast van overtuigd dat ik nog veel van U kan leeren.
Het is prachtig dat een kunstwerk U „existentieel” kan aanpakken. Dat gevoel ken ik gelukkig ook. Bij van Gogh heb ik dat sterk en bij Picasso, om een paar schilders te noemen. Dostojefski heb ik verslonden bij dag en bij nacht, hoewel ik nu van een Rus hoor dat Tolstoi veel meer geëerd is. Dostojefski schrijft slecht Russisch en is niet een zuiver Russische schrijver als Tolstoi en Turgenief en Gogol. Kafka is moeilijker en de legende van de Baalschem… Zoo kom ik op de Baalschem. Dat boek heb ik nu geheel gelezen en genoten van a-z. Het aller-allergrootste en verhevenste daarin vind ik de vergessene Geschichte en das dreimalige Lachen. Niet misschien om het verhaal zelf, maar om de diepe zin van het verhaal. Dat is ook aangrijpend, zoo dat ik na lezing het boek op zij heb gelegd en verbaasd de kamer heb rondgekeken. Zoo kan men zonder een reine ziel toch met heiligen verkeeren.
Het geval met Jan Wiegers is frappant en zeer natuurlijk. U zoekt den mensch en Jan zoekt den kooper. Dat is natuurlijk wat al te plat uitgedrukt, maar ik ken Jan vrijwel door en door. Hij is een beste kerel en voor ieder een vriend. Dat is het eenige waarom hij mijn „vriend” niet kan zijn. Ik waardeer hem zeer, want ik heb veel aan hem te danken.
Hoe goed herinneren wij ons nog die avond dat U bij ons was om mijn werk te zien. Ook omdat U een van de weinigen bent en van die weinigen een van de eersten die het met aandacht hebt bekeken. Vaak heb ik tegen mijn vrouw gezegd: hoe zou hij preeken, ik zou hem wel eens willen hooren. Wij gaan nooit naar de kerk, dus zou U kunnen denken dat ik dat uit beleefdheid zou willen doen. Maar zóó beleefd ben ik niet, ik bedoel niet beleefd in dien zin, maar nu ik U beter ken weet ik dat U uit diepe overtuiging preekt. En dat bedoelt U er natuurlijk mee als U schrijft van een mensch door God op een andere plaats gesteld en tot het zware werk der kunst geroepen, zooals U het zware en moeilijke werk van predikant vervult, evenzeer uit roeping.
Uit doktersmond heb ik wel gehoord: „dacht U dan dat er iemand uit roeping dokter wordt.”
Ja, en dat heb ik gevoeld toen ik U in mijn vorige brief „broeder Henkels” noemde. Uw voorletters zijn FRA en beteekent dat niet broeder? Dat speelt mij altijd door het hoofd wanneer ik denk aan het ex libris dat ik nog voor U zal maken maar waarvan nog niets gekomen is. Maar niet vergeten! Hoeveel ex. moet U daarvan hebben eventueel. U hebt veel mooie boeken. De gezondene zijn in goede orde aangekomen. Dank voor deze zending, ik geniet er elke avond van. Het boek van Gertrude Stein is zeer interessant en zelfs boeiend doordat het over schilders gaat.
Als ik dat lees denk ik aan Uw brief en vraag mij af of ik tot de kunst geroepen ben. Ik kan het niet zeggen. Wel weet ik dat het mij dag en nacht haast bezig houdt. Gelukkig heb ik een rem om mij voor galoppeeren te behoeden. Afgunstig ben ik op niemand, maar wat er tegenwoordig gemaakt wordt boeit mij niet erg. Ik wil niet schilderen als iemand anders uit jaloezie of uit behoefte aan bijval. Maar op gezette tijden komt de onbedwingbare drang om te komen tot uiting en ik weet absoluut zeker dat dit zuiver is. Het is soms ontzettend moeilijk om tot die uiting te komen, maar als het gaat, dan gaat het vanzelf. Haast al te vanzelf – – en later zie je dan pas dat het goed is. Bij tijden kan ik er niets van terecht brengen, maar dat maakt mij niet wanhopig al is het geen prettig gevoel.
Ik dank U dus voor Uw overtuiging dat het ècht is. Ik heb een „goed vriend” die vroeger ook schilderde en teekende en die altijd komt om te zeggen: ja, de grooten hebben wat te zeggen, maar hier zijn geen grooten. Van de grooten koopt hij dan reproducties en zet die achter glas aan de wand. Zooiets is toch eigenlijk minderwaardig. Dat heb ik hem ook ronduit gezegd en nu mag ik niet meer bij hem thuis komen. Maar hij komt bij ons en zegt wat goed is en wat niet goed. Verder heeft hij een goede zaak en draagt mij al zijn orders op.
Zooiets is niet ontmoedigend, maar het geeft een kijk op het menschdom dat geld heeft om te koopen.
Dubbel aanmoedigend is des te meer wat U en de heer Zuithoff doen.
Nu moet ik nog even zakelijk worden. U ontvangt hierbij proeven van de Sendbrief. De binnenste twee pag. heb ik nog niet af, daarmee ga ik door, maar ik wilde U deze week nog wat laten zien. Als U dit gecorrigeerd terugzendt met Uwe bemerkingen enz. dan druk ik dit af en stuur de binnenpag.
De heer Zuithoff stelde voor een klein vignet hieronder te plaatsen in deze geest […]
Ik kan nog niet zeggen wanneer ik naar Amsterdam ga, ik wacht nog op antwoord van denHeer Sandberg, aan wie ik voorstelde om Zaterdag 17 dezer te komen. Wanneer ik terugga weet ik nog niet, òf Zondag, òf Maandag, denkelijk Maandag. Ik zal nagaan of ik er een aftakking naar Heerenveen aan kan verbinden. Het zou erg aardig zijn om dat meteen te kunnen doen. In elk geval, mocht het niet gaan, dan komen we samen als het wat beter en wat warmer wordt eens spoedig op de fiets. Mijn vrouw gaat niet mee, ze heeft een samenkomst van clubleidsters ergens buiten.
Nu ga ik sluiten en neem deze brief nog mee naar huis in afwachting van bericht van den Heer Sandberg.
Ook thuis geen post, dus kan ik nog geen uitsluitsel geven wat ik mee zal nemen naar Amsterdam. Het beste is dat ik U nog even bericht en dat U dan zoo nodig rechtstreeks een en ander opstuurt en niet naar hier. Na gebruik kunt U er weer over beschikken.
Met beste groeten, ook van thuis en aan Uw vrouw

Werkman