In deze lange brief aan August Henkels komen verschillende werkzaamheden voor De Blauwe Schuit aan bod, naast een meer beschouwend deel over zijn eigen levensloop in het licht van zijn kunstenaarschap. De brief is nummer 22 in de brieveneditie (Hendrik Nicolaas Werkman, Brieven rond De Blauwe Schuit (1940-1945), red. Frans R.E. Blom, Willem van Koppen en Mieke van der Wal, Amsterdam 2008).


Groningen, 29 april 1941

Zeer geachte Heer en Vriend.

Vanmorgen ontving ik Uw brief met de gecorrigeerde proef en order voor afdrukken. Intusschen was gisteren de heer Zuithoff nog hier, die adviseerde het woord Prière en de regel „pour nous autres charnels” iets te spatieeren, hetgeen ik ten uitvoer zal brengen. Ook het vignet dacht hij beter aldus te wijzigen: dbS. De bijgevoegde afdruk zal U doen zien dat dit nog niet zoo kwaad is, hoewel ik een beetje tegen symetrie ben en zooals het op de proef staat het wel leuk vind, met de B, en de S een beetje naar voren geschoven. Toch zal ik de wijziging overnemen.
Met het afdrukken van het omslag ben ik dadelijk begonnen. Het is spoedig droog. Deze week lever ik de ex. af. De ex. van de Sabbat Gesänge ontvangt U hierbij. Ongetwijfeld zullen ze Uw goedkeuring hebben, want het ziet er zeer aantrekkelijk uit naar mijn meening, zoodat aan de prachtige liederen met de verklaring een goede ontvangst bij de vrienden van de B.S. wel ten deel zal vallen.
Dat U er naar verlangt het eindresultaat van alle moeite en zorgen te zien, is te begrijpen. Nu is het zetten van de Sendbrief aan de orde. Ik zal U weer evenals met Prière een paar afdrukken op verschillend papier zenden, tenzij ik dadelijk hèt papier daarvoor op de kop kan tikken. Ik heb wel iets op magazijn, maar dat is een restantje en niet voldoende nog voor deze kleine oplage. Maar ik vind wel iets. Als U bij gelegenheid de platenatlas nog kunt zenden, zal ik tegelijk het omslag zien te drukken.
Wat U schrijft omtrent papier en omslag voor de Ark, vrees ik dat die verhouding niet goed zal zijn omdat het omslag dan dunner zal worden dan het binnen papier. Ook deze beide soorten zijn restanten, doch van beide is nog wel voldoende voor een oplage. De eene soort gebruik ik voor zelfgemaakte enveloppen, maar als U dat aan ’t hart gaat laat ik het liggen voor de een of andere uitgave op 22 × 16.
De rekening van Alleluia en Sabbat Gesänge zend ik U ook hierbij en ook nog die voor de voorgaande uitgave, die door U reeds voldaan is maar waarvan ik de rekening vergat te zenden.
Met de lectuur van de Baalschem gaat het naar wensch. Telkens als ik een hoofdstuk gelezen heb denk ik: dat is nu het mooiste van alles wat ik gelezen heb. Dat was vooral het geval met „eine vergessene Geschichte”.
Alles heb ik nog niet gelezen, maar ik heb zoo ongeveer een 8-tal waarvan mij het maken van een druk voor oogen staat. Eén heeft zich in kleuren aangekondigd, maar ik laat het eerst nog een beetje zitten, die ontkomt mij niet meer. Die zult U direct wel herkennen. Ik denk er over om eerst van alles, dat is te zeggen éen voor éen een proef te trekken en U die voor te leggen ter beoordeling. Ook om na te gaan of ik vrij genoeg ben in de opvatting. Natuurlijk zend ik U geen proeven die mij niet voldoen. Achterna zal ik U die, voor zoover toonbaar, wel laten zien of er in Uw oog nog iets bruikbaars bij is, maar wat ik U stuur zullen zijn gave werkstukken waarvoor ik insta. Ook dacht ik te maken voor het omslag en eventueele titel van de portefeuille een kleinere afbeelding van ± 18 × 22 cM waarvoor ik een aardige gedachte heb. De bladen zelf dacht ik formaat ± 32.5 × 50 cM. of daaromtrent en deze voluit tot aan de rand te bedrukken en gewoon laten afloopen. Daarvoor heb ik nu een heel geschikt vel carton, niet te zwaar en niet te slap, gevonden. Daarop zal ik vooraf de diverse „reacties” van de inkten gaan probeeren, want het is best mogelijk dat de eene kleur er prachtig op doet en de andere zich totaal onhandelbaar gedraagt. Maar dat loopt wel los, er zijn zooveel papieren en zooveel inkten, dat de combinatie te vinden moet zijn. Maar als dit goed is, zijn we ineens klaar. En als dan de eerste druk zooals ik die kant en klaar zie nu, een beetje goed uitvalt, dan is dat een goede stimulans.
Na de drukken die U hebt, heb ik er nog niet weer gemaakt. Wel heb ik nog verscheiden teekeningen voor nieuwe gemaakt, maar nog niet uitgevoerd. Ik voel nu dat het schilderen vooreerst afgeloopen is en dat zich wat anders komt aanbieden. Bij het maken van mijn laatste schilderijen zakte ik voortdurend, een bewijs dat ik weer voor een tijd uitgeschilderd ben. Eerst moet er weer gedrukt worden om daaruit weer steun voor het schilderen te putten (niet omgekeerd, het drukken is primair). Niet onmogelijk dat deze Suite een mijlpaal wordt, zooals na elke pauze van een jaar soms een geheel andere werkwijze of afwerking tevoorschijn komt. Des te beter vernieuwing moet er steeds komen.
Als ik over mij zoo schrijf moet U bedenken dat ik dat alleen tegenover U doe, wel wetende dat U het niet zult opvatten als een soort zelfverheerlijking. Tegenover „onbevoegden” uit ik mij geheel in de ruimte. Dat ik nu bij de nieuwe orde niet officieel als Kunstenaar te boek kom te staan, is geheel naar mijn zin. Hoewel ik mij altijd heel gelukkig gevoeld heb wanneer ik iets kon maken dat ook door een paar andere menschen kon worden aangevoeld als gaaf en zuiver van uiting, ben ik er ten zeerste van overtuigd dat deze momenten te zeldzaam zijn om aanspraak te willen maken op de naam Kunstenaar. Temeer omdat ik dat niet in de macht heb om daarmee naar willekeur te handelen.
Het grootste deel van het leven ben ik een eenvoudig mensch, belast met vele zorgen en beslommeringen, een slecht opvoeder bovendien. Ik loop tegen de 60 en Zondag zei mijn vrouw: „sedert wij getrouwd zijn, ben je veel ernstiger geworden”. Wij zijn ruim 4 jaar getrouwd. U kunt daaruit zelf wel de noodige gevolgtrekkingen maken.
Voor mij vat ik het zoo op dat ik wat bewuster ben gaan leven en alles een beetje bewuster doe en laat. De een is vroeg rijp en de ander wordt na gekneed te zijn gevormd. Waarom, vraag ik mij af, heb ik U nu pas ontmoet. Waarom heb ik nooit iemand als U ontmoet die mij aanspoorde en aan het werk zette. Alles komt zoo laat bij mij.
Klagen mag ik niet, ik ben in maatschappelijken zin bij afwisseling ook wel gelukkig geweest. Vooral mijn eerste jeugd was volmaakt naar mijn zin – tot mijn 10e jaar, toen mijn vader stierf en voor ons een uiterst zuinige tijd begon.
Enfin, het is gegaan zooals het gegaan is, weinig heb ik begrepen en veel heb ik verkeerd gedaan. De domste dingen die ieder ander zou nalaten heb ik ernstig uitgevoerd. En daarvoor ben ik dan ook – zooals men dat uitlegt – behoorlijk gestraft geworden in materieelen zin niet het minst.
Maar éen ding – broeder Henkels – heeft mij altijd in mijn leven vergezeld en dat is de gedachte, de overtuiging, dat Kunst iets goddelijks is. Het zekere weten dat ik in sommige mijner uitingen dicht bij de waarheid ben geweest, heeft mij in mijn latere leven als mensch eigenwaarde geschonken. Toen ik dat veroverd had, heb ik mij nooit meer ongelukkig kunnen gevoelen hoe vreemd het soms ook mocht gaan.
Dit lijkt niet erg bescheiden op ’t eerste gezicht misschien, toch is het wel zoo.
De heer Sandberg kwam geheel onverwacht, ik had hem in den zomer verwacht. Het doel van zijn komst was twee vliegen in éen klap te vangen. Hij moest voor een a.s. tentoonstelling in het Sted Mus. een bezoek brengen aan een verzamelaarsinterieur in Veendam, den Heer Duintjer, die veel moderne schilders in zijn collectie heeft. Tevens had hij hier in Groningen een bespreking en dan kwam hij bij mij. Nadat wij ’s middags hier op ’t kantoor een uurtje gepraat hadden zijn we naar de Faun gegaan en daar heb ik veel van hem vernomen over de situatie van heden en over allerlei dingen meer. Prachtig soms. Hij interesseerde zich dadelijk voor de B.S. uitgaven en wilde ze alle koopen. Gelukkig trof het dat de heer Zuithoff hem tewoord kon staan, zoodat hij genoteerd staat als vriend van de B.S. en als zoodanig de uitgaven ontvangt.
Het bleek dat de schilders in Amsterdam over het algemeen een beetje meer moed en ruggegraat getoond hebben dan die in Groningen. De Federatie van beeldende Kunstenaars-vereenigingen had n.l. aangeboden samen te werken met de beweging van Dr Goedewaagen, wanneer de Federatie ingeschakeld bleef en alles over deze schijf zou blijven loopen, ook ten opzichte van de aangesloten vereenigingen. In Amsterdam houdt men daaraan, in Groningen zijn er eenige, onder wie vijf leden van de Ploeg, Altink, Dijkstra (deze voorop na Martens), Martens, Walrecht en Jan van der Zee, die op eigen gezag daarvan afgeweken zijn. Bang voor het missen van wat roem en eer!
Als men zoo iemand spreekt is het toch wel eenzaam hier in ’t Noorden. Erg afgezonderd zijn we hier, het heeft alleen dit voordeel dat hier rustiger gewerkt kan worden. Maar daar hebben ze tentoonstellingen, vereenigingen, groepen en relaties, die wij hier ten eenen male missen. Hier hebben wij „collega’s” die bang zijn een woord te veel te zeggen uit vrees dat ze zich bloot geven wat hun kennis en werk betreft, alles vol wantrouwen met maskers voor.
De heer Sandberg is vol lof over hetgeen hij van mij gezien heeft. – Ik moet er nog wel even weer excuus voor vragen dat ik deze lof zelf overbreng –. U kunt begrijpen dat zooiets goed doet. Over het tentoongestelde, dat U ook alles kent, was hij opgetogen juist in tegenstelling met het werk van Stols en Nijpels en Enschedé, omdat het hem iets zegt. Hij heeft vroeger veel aan typografie gedaan. Ook anderen wijst hij er op, veler belangstelling had hij gaande gemaakt. Zaterdagavond is hij nog teruggekomen aan huis, om nog enkele dingen te zien.
Vrijdagavond was hij met den Heer Zuithoff meegegaan – om daar te eten – en daar had hij de kleine drukken gezien, die hij nog niet kende. Hij kocht toen een heele serie van 14 stuks en verklaarde „ik ben er zeer mee in mijn schik”. Hij kwam een half uur later dan afgesproken en vroeg daarvoor excuus. Ik heb hem eens twee maanden op antwoord laten wachten op een brief en zei daarom dat ik in de laatste plaats het recht had om hem dat kwalijk te nemen. Jawel zei hij, daartoe hebt U wel het recht. Maar dat U mij hebt laten wachten past volkomen bij U, „anders zou U zulke prachtige dingen niet kunnen maken”. (Dit haal ik even aan omdat U vraagt naar zijn eigen opinie over mijn werk.)
Nu had ik hem gaarne de geschilderde cartons die U hebt, laten zien, ik had er wel enkele maar niet de beste. (Dit is geen aanmaning om terugzending, U kunt ze gerust nog behouden.) Daarom heb ik hem de abstracte schilderijen en andere laten zien en nog een paar drukken. Ik heb wel gemerkt dat hij de drukken beter vond dan de schilderijen. U herinnert zich misschien de twee koppen. Die vond hij buitengewoon goed. Tegen 12 uur moest hij haast op een draf weg.
Wij hebben hem natuurlijk aan een streng verhoor onderworpen om zijn meening te hooren over diverse schilders en over de perspectieven. Roal Hynkes vond hij slecht, Pyke Koch beter, Schumacher kon hij niet waarderen, evenmin als Willink van de latere tijd. Jan Wiegers had een tentoonstelling bij Van Lier gehad; deze beschouwde hij als een mislukkeling. Verkoopbaar geschilderd. Hij had dezelfde opinie over Jan als U: achteruitgegaan. Maar toch had Jan zich een plaats veroverd in schilderend Amsterdam. Over zijn werk wilde hij verder liever niet spreken.
Vol bewondering was hij over Picasso en van Gogh, Klee en Ernst. De Fransche tentoonstelling Picasso, Bonnard, Matisse, Braque, Utrillo e.a. had hem ontzaglijk veel goed gedaan, al had dan die tentoonstelling een evenredig deficit opgeleverd. Zeker was echter dat heel veel schilders, architecten, andere kunstenaars en kunstminnenden van deze tentoonstelling enorm veel hadden genoten.
Het deed mij goed met een vurig bewonderaar van Picasso te doen te hebben, zoodat wij ons in zijn kunst volop konden verdiepen. Gevraagd naar zijn meening over de toekomst van de moderne kunst gaf hij te kennen dat z.i. de moderne kunst als het ware plotseling alle mogelijkheid afgesneden was doch dat na tijd en wijle deze tot volle bloei zou komen. Als de moderne kunst (het is maar een woord ter aanduiding) opbloeit zou dat z.i. kunnen zijn voortgebouwd op Klee en Ernst eenerzijds en Picasso anderzijds. Deze als toonaangevers, met daaromheen nog andere, zooals Bonnard, Utrillo. Maar Leger en Braque vond hij minder. Het deed mij goed dit te hooren, van Klee en Picasso – met van Gogh en Gauguin en Chagal – heb ik het meest gehouden en ook het meest geleerd. Zij hebben als ’t ware gezegd: het mag. Het was werkelijk een goede avond die natuurlijk veel te gauw omvloog. Toen ik hem ten slotte bedankte voor zijn belangstelling zei hij: „o nee, maar dat is heel natuurlijk.”
Maar nu komt er weer iets waar ik erg tegen opzie: ik moet binnenkort naar Amsterdam, de heer S. wil mij in kennis brengen met eenige van zijn naaste vrienden, een paar architecten en schilders, onder wie van Eesteren en Stam, twee namen die hij in den loop van den avond genoemd had, evenals ik van mijn kant gelegenheid had U te noemen als vriend, gangmaker en opdrachtgever die tevens, als hij, warm voelde voor mijn werk.
Hij bond mij op ’t hart dat dit goed voor mij zou zijn, dat ik door het werk recht op erkenning had en dat ik zeker door deze menschen goed ontvangen zou worden. Dat geloof ik allemaal wel, maar het valt mij zoo ontzettend moeilijk. Achterna, als ik weer thuis ben, ben ik weer een heele Piet, maar om tot de daad te komen en in de trein te stappen moet ik heel wat bezwaren uit de weg ruimen. Ik geloof dat het is de gedachte van „het vreemde terrein”. Toen ik met een der hoofdbezwaren, de reiskosten, op de proppen kwam zei hij: „dan neem je maar wat werk mee, dan hebt U de reiskosten er zoo weer uit.” O, dat kan ik niet zei ik, (want ik had nu al een gevoel of ik hem bestolen had). „Dan doe ik dat wel” was het besluit.
Ik mòet dus binnenkort naar Amsterdam dat begrijpt U wel. Ik ben zeker overtuigd dat ook U dit zult toejuichen omdat U van harte met mij meeleeft – in de hoop dat er wat van mij terechtkomt zal ik maar zeggen.
In elk geval, de zaak is „en marche”. Het is of vele krachten samenspannen want vanmorgen kreeg ik een paar orders van samen 400 gulden met heel weinig zetwerk en veel druktijd, zoodat ik de handen vrij heb voor Uw werk en de Suite en de drukker zoet gehouden wordt met oplage-werk.
Zoo staan de zaken en ik heb het er maar van genomen om U dit alles een beetje uitvoerig weer te geven omdat U nog meer in de afzondering zit dan wij hier. U wilt zich dus persoonlijk op de hoogte stellen van de sfeer hier. Dat lijkt mij uitstekend, we kunnen dan nog eens een en ander bepraten wat we in onze brieven mochten hebben vergeten.
Maar! U wilt toch niet te veel over mij persoonlijk schrijven. Als U er maar inzet dat ik die en die dag in een soort steppeachtige omgeving geboren ben (waar van alle inboorlingen gezegd kan worden dat ze allen gebukt gingen onder een soort melancholie die velen naar de drankflesch deed grijpen – destijds – ) dan is dat al heel wat. U hebt mij voor de Suite eenige negatieve aanwijzingen gegeven, ik zal U heelemaal geen aanduidingen geven, want U is het schrijven wel toevertrouwd. Alleen deze negatieve: In sommige bijschriften bij mappen en dergelijke staan soms biografische bijzonderheden omtrent schilders dat je bij jezelf denkt hoe kan die man nog werken als hij dat zelf gelezen heeft. En nu ik het niet alleen zal lezen, maar ook hoop te zetten, dan begrijpt U wel dat daarin alles naar waarheid kan worden getuigd zonder dat het mij ijdel zou kunnen maken en ik ongeschikt zou worden tot werken en anderen het hoofd doen schudden over mijn grijze haren.
Als ik mij daar geen zorgen over behoef te maken dan gaan we rustig verder. Misschien denkt U wel: hoe kan die man in zoo’n milieu werken; maar het is hier soms echt Parijsch, zooals U dat wel eens op een film hebt gezien. Zoo’n beetje doolhof-achtig. Vroeger toen ik nog van die groote spookachtige drijfriemen gebruikte was het nog echter. Dit is de eenige wolkenkrabber van Groningen is er wel beweerd, maar zoo ’s middags hangt hier een rust om de dingen waar zelfs de oosterlingen aan te gast zouden kunnen gaan.
Dat kunt U dan allemaal zelf constateeren en ook wel ondergaan. Ik kreeg eens een professor met zijn vrouw op bezoek die toen ze op ’t kantoor beland waren uitriep: maar meneer Werkman, dat is Montmartre of Montparnasse. Ik dacht bij mijzelf: zou het dan heusch waar zijn? Maar waarom trekken dan zooveel menschen naar Parijs als ze dat hier kunnen zien? Ze zien het immers niet, ze ondergaan Parijs evenmin.
Ik heb hier zooveel drukken gecomponeerd uit de onmiddellijke omgeving om mij heen, beginnende met de schoorsteenen en de duiven en de voorbijvarende schepen, het trappenhuis, het doolhof van gangen en deuren, de gekke combinaties van balken en beschotten. Bijna 20 jaar heb ik hier huisgehouden met lief en leed gewerkt gesuft en gezwoegd, beroerdigheid doorgemaakt en volmaakt geluk gekend. Dat is hier blijven hangen, komt U maar om dat er weer uit te halen.
Eerst hartelijk gegroet, ook van mijn vrouw, mede aan de Uwe

Uw Werkman