Werkman schreef deze brief op 3 juni 1905 aan zijn moeder en broer vanuit Namen, tijdens zijn eerste buitenlandse reis.


Namur, 3 juni 1905

Lieve Moeder en Tinus!,

’t Is maandagavond half negen en ik zit in Namen in een kamer van 2 francs 50 ctimes. ’t Is bepaald een ruime kamer, vooral vergeleken bij die ik in Brussel had. Daar betaalde ik in een Jodenhotel 3 francs, tenminste ik dacht dat het een Jodenhotel was want het geurde daar geweldig naar siepels! En warm dat ’t er was, ik kon er haast niet van slapen, ’s nachts moest ik mijn raam nog open zetten. Enfin hier is ’t goed. Ik woon nu in ’t Hotel Hollande, een net hotel tegenover ’t station, met tegenover mij een zware berg, een Arden.
Zoals U gemerkt zult hebben uit mijn karte uit Brussel ben ik goed overgekomen. Morgen denk ik hier in den omtrek uitstapjes te doen en dan naar Dinant te gaan. ‘k Heb een rondreisbiljet tot Vrijdag voor 14 fr. 50 (7 gulden) verbazend goedkoop nietwaar, daar mag ik bijna heel België mee doorkruisen en overal uitstappen. Met ’t Frans gaat het wel. Valt mee, de luit merken het anders gauw of je een vreemdeling bent. De menschen hier zijn heel geschikt in België, verbazend vroolijk en vlug. In Brussel was ’t op een boulevard [..., onleesbaar] en hier staat ook wat […, onleesbaar].
Ik beweeg mij al wat vrijer onder de menschen. Toen ik eerst België binnenstoomde had ik zoo’n benauwd gevoel over me, dat soms nog wel eens terugkomt. Wat het is weet ik niet, misschien – zeker – is ’t een gevolg dat je zoo heel alleen in een vreemd land staat. Dat Brussel zoo druk was en zoo groot, had ik nooit geweten en nooit gedacht. Dat is een geweldige drukte elken dag. Nu trof ik juist een Zondag, die natuurlijk nog drukker was. De Françaises snoeren zich geweldig in. Allemaal wespentailles, ‘k mag ’t niet te graag zien en hobbezakken, of reform zie je hier absoluut niet. ‘k Heb er nog geen enkel reform […, onleesbaar] gezien.
Ik zal zorgen dat ik Donderdagavond in ’t Noorden van België ben, dan kan ik daar nog Vrijdag doorbrengen en Zaterdag terug of Zondag, dat weet ik nog niet. ’t Kan ook zijn dat ik nog een dag in Arnhem overblijf met een vacantie kaart, tenminste als er een andere goedkopen gelegenheid is om van Luik naar Arnhem te reizen. Quand je thuis kom weet ik nog niet.
In Brussel heb ik gelogeerd in ’t Hotel du Phare, waarvan de portier Hollands verstond. Die heeft me toen zoo wat de mooiste gedeelten in de stad aangewezen, verder heb ik er wat op mijn eentje rond gedwaald. ‘k Wil niet zeggen, dat ik alles even plezierig en mooi vond. De boulevards zijn mooi. Daar heb je geen begrip van, vraag je naar een eindpunt dan is ‘t “tout droit monsieur, tout droit”. Electrische trams brommen langs je heen, stoomtrams, onmibussen, en andere kleine voitures. Ieder rijdt hier, alles naast en door mekaar. Geweldig veel chic in Brussel en automatieken, de een na de ander. Straatjongens heb ik er nog nergens gezien.
‘k Schrijf niet bar mooi, maar ’t moet wat vlug gaan, want als ’t electrische licht langer dan een uur brandt, wordt mij daarvoor 50 centimes in rekening gebracht.
Eten doe ik weinig. ’t Is alles een smaak dit poespas dat. Niets beter dan thuis in dat opzicht. Net of ’t in andere opzichten niet zoo is !! hoor ik daar iemand zeggen. Ik kaap voor en na wat in ’t een of ander restaurant, des avonds koop ik bij een bakker voor een paar centimes en eet dat op mijn kamer op. Ontbijten doe ik nait, dat is me te duur.
Ik weet niet wanneer u mijn brief zult krijgen en waar ik met een paar dagen zal zijn, on schrijven kun jelui me niet best. Ik laat wel eens weer wat van me hooren.

Saluut. Uw liefh. Zoon en br. Hendrik”.