Jos de Gruyter, ‘Nieuwe Werkman uitgaven’, Museumjournaal 12 (1967) nr. 9, pp. 247-252
 
6 ill.; taal: Nederlands
 
Geeft een beknopt overzicht van de ontwikkeling van de druksels, waarin hij vier fasen onderscheidt: in de eerste fase (1923-1928) ontstaat abstract of semi-abstract werk; de tweede fase begint in 1929 met het ontdekken van de stempeltechniek; het gebruik van de sjablone vanaf 1935 luidt het begin van de derde fase in; en de moeilijke rolbaarheid van de inkt in de koude oorlogsjaren 1943-1944 dwingt Werkman tenslotte tot het gebruik van wat De Gruyter het ‘algehele stempelprocédé’ noemt. Het artikel is verder een bespreking van Fridolin Müller (red.), H.N. Werkman (Documente visueller Gestaltung, Band 2), Teufen 1967, en van de facsimile-uitgave van de Chassidische legenden door de Haarlemse drukkerij J.H. Henkes Grafische Bedrijven uit 1967. Bij deze laatste publicatie wijst De Gruyter erop dat hier de proefdrukken zijn gebruikt die Werkman voor Henkels maakte, en hij betoogt dat deze van een hogere kwaliteit zijn dan de uiteindelijke, in oplage gedrukte versie.
 
Trefwoorden: Chassidische legenden / druksels / kunsthistorisch algemeen